Laatste nieuws
Lees verder
Eerder nieuws
Mobiele website
Open mobiel website
Geschiedenis - Tussen het Heeseind en de Hintham
TUSSEN HET HEESEIND EN DE HINTHAM
Algemene geschiedenis van Rosmalen door drs. H.G.J. Buijks
Wie in één oogopslag veel over de geschiedenis van Rosmalen wil weten én begrijpen, moet deze plaats opzoeken op een landkaart waarop hoogte en grondsoort worden aangegeven. Ik heb dat ook gedaan en mijn bevindingen waren als volgt:
1. Met betrekking tot de grondsoort: Rosmalen ligt vrijwel op de scheiding tussen zand- en kleigrond, tevens de scheiding tussen het "echte" Brabant (waarbij we ons graag een landschap voorstellen met veel bomen, boerderijtjes met rieten daken en vriendelijke mensen) en het Brabants-Gelderse rivierengebied;
2. Met betrekking tot de hoogte: hoewel de hoogteverschillen in het landschap nauwelijks zichtbaar zijn, helt het grondgebied van de gemeente Rosmalen van zuid naar noord af in de richting van de Maas. Wanneer in dit verband gesproken wordt van "laag land" en "de Maas", denken de, ouderen onder ons natuurlijk aan overstromingen, het euvel waaraan de Maaslanders tot voor kort bijna gewend waren. Dat deze streken met zoveel overtollig water te kampen hadden, kwam vooral doordat de Maas als regenrivier in het winterhalfjaar veel water te verwerken kreeg. Tel daarbij nog het niet altijd volmaakte onderhoud der dijken en de vele bochten in de Maas op en de verklaring is voor een groot deel gegeven. Nu had men al in de late Middeleeuwen een oplossing bedacht voor de problemen rondom de Maas, maar daarvan plukte alleen West-Nederland de vruchten: de Beersche Overlaat. Bij Beers en bij Katwijk had men enkele openingen in de Maasdijk gelaten, waarlangs bij hoge waterstand de rivier zijn overtollige last kon lozen op... het Maasland. Een kilometersbrede strook daarvan liep aldus gemiddeld twee keer per jaar onder. Het resultaat van deze operatie was wel dat de Maas zich verder stroomafwaarts wat rustiger gedroeg, maar daaraan hadden de mensen van deze streek natuurlijk weinig. Gelukkig was in de periode van 15 maart tot 15 november de zomersluiting van kracht: dan waren de openingen bij Beers en Katwijk dicht.
3. Met betrekking tot de staatkundige en strategische ligging: Rosmalen ligt in een grensgebied, nabij de noordgrens van de provincie Noord-Brabant. Vandaag de dag is dat geen reden om bang te zijn: het is onvoorstelbaar dat er een bende Geldersmannen onder leiding van een Maarten van Rossum de Maas zal oversteken en het Maasland zal afstropen, zoals in de 16e eeuw meermalen gebeurde. Daar kwam nog bij dat de belangrijke vestingstad 's-Hertogenbosch vlakbij lag. Deze plaats beheerste de noordelijke toegangswegen tot het machtige hertogdom Brabant, dus geen wonder dat in de loop der eeuwen de regio Den Bosch druk door militairen werd bezocht. Extra overlast werd nog veroorzaakt doordat in oorlogstijd een groot gebied rondom de stad onder water werd gezet.
Het heeft lang geduurd voordat de bovengenoemde problemen werden opgelost. In de tweede helft van de vorige eeuw verloor Den Bosch zijn vestingfunctie, maar het Maasland kon pas op adem komen, toen in 1942 de Beersche Overlaat definitief dichtging en de mensen hier dus een heel stuk minder afhankelijk van de elementen werden. Al enkele jaren daarvoor, in 1927, had de rijkslandbouwconsulent in Oost-Brabant, ir. J.H.F. Deckers, duidelijk de gevolgen aangegeven van de sluiting van de Overlaat: hij verwachtte "dat weldra de tijd zal aanbreken, dat de bewoners van den Lagen Maaskant uit hun nadelige positie worden verlost en hun streek zich eindelijk eens behoorlijk landbouwkundig en economisch kan ontwikkelen".
Na deze inleidende beschouwingen, die voor een goed begrip van de achtergronden noodzakelijk zijn, komen nu enkele hoofdzaken uit de geschiedenis van Rosmalen aan bod, Volledig is dit overzicht niet: er is nog te weinig bekend over de historie van Rosmalen.
Volgens de Belgische plaatsnaamkundige M. Gysseling zitten in de naam Rosmalen de woorden "rausa" (= riet) en "malho" (= zak, depressie) verborgen. Als hij gelijk heeft, moeten we dus denken aan "riet in een laaggelegen land". De naam van ons dorp wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde van omstreeks 815, waarvan we de inhoud alleen maar kennen via een aantekening in een latere tekst: een zekere Alfger schenkt aan de abdij te Lorsch (nu West-Duitsland) enkele van zijn bezittingen, waaronder een boerderij met weidegronden "is Rosmalla". Maar hoogstwaarschijnlijk hebben hier vóór 800 ook al mensen gewoond. In de oude buurtschap Heinis/Hennis (waar je nu langs de afslag Rosmalen autoweg A2 afdraait) werd in 1935 een urnenveld uit de IJzertijd aangetroffen, zo'n 2000 jaar oud dus. En op "De Bunders", in de polder vanden Eigen en Empel, moet in de Romeinse tijd een nederzetting hebben bestaan, doch de naam daarvan kennen we niet.
Kort na 800 bestond er dus een Rosmalen, een gehucht van enkele boeren-bedoeninkjes bij elkaar. Voordat daaruit een dorpje was gegroeid, waren we enkele eeuwen verder, zo tussen 1200 en 1300. Heel West-Europa kende toen een zekere welvaart en bevolkingsgroei, waarbij veel woeste gronden werden ontgonnen en dijken werden aangelegd langs rivieren die tot dan toe vrijwel ongetemd naar zee stroomden. Het is niet verwonderlijk dat je in een dergelijke tijd tal van dorpen en andere nederzettingen ziet ontstaan. Een duidelijk teken dat het hierbij om meer gaat dan een gehucht, is de stichting van een parochie in zo'n plaats. Zo blijkt Rosmalen in 1293 een parochie, dus een kerkelijke gemeenschap, te zijn geweest: "parochia de Roesmale". De patroonheilige van de kerk is Sint Lambertus. Dat is niet toevallig, want Lambertus is een typisch Luikse heilige en Rosmalen behoorde tot het bisdom Luik, zoals trouwens heel Brabant en Limburg in die tijd. Van pastoors uit de vroegste tijden is weinig bekend. We weten dat in 1393 een zekere Gerardus de Wilde hier dat ambt bekleedde, of althans de inkomsten ervan opstreek. Maar dat laatste hoefde in de Middeleeuwen helemaal niet te betekenen dat hij zelf in de Rosmalense zielzorg werkzaam was; meestal was daarvoor een vervanger beschikbaar, uiteraard tegen maar een klein deel van de pastoorsinkomsten.
Werd hierboven al gesproken over een kerkgebouw te Rosmalen in 1193, dat was niet hetzelfde als de huidige Lambertuskerk. Deze dateert van omstreeks 1550, toen Pieter Wellens hier pastoor was. Wellens liet deze vermoedelijk wel op dezelfde plaats bouwen: een duidelijk hoog punt in het dorp, waar in tijd van overstromingen de inwoners gemakkelijk een toevlucht konden vinden. Buiten de parochiekerk kende Rosmalen in de Middeleeuwen meer kerkelijke gebouwen. In 1434 of daaromtrent werd te Coudewater het klooster Mariënwater gesticht. De inwoners waren mannen en vrouwen van de orde der Birgittijnen (genoemd naar de 14e-eeuwse H. Birgitta uit Zweden). Annenborch heette sinds 1505 het klooster van de reguliere kanunnikessen van de H. Augustinus, dat gesticht was vanuit het moederhuis op de Windmolenberg te 's-Hertogenbosch. Verder kregen in de 16e eeuw Heeseind en de Hintham elk een kapel. Hoewel de katholieke kerk in de Middeleeuwen stellig een belangrijke plaats innam in Rosmalen, blijft ons beeld onvolledig, als niet tevens een blik wordt geworpen op een aspect als het wereldlijk bestuur. Allereerst kan men vaststellen dat ons dorp in de 11e eeuw onder het bestuur van de hertogen van Brabant gekomen was. Aangezien Brabants hoofdstad, Brussel, op een behoorlijke afstand lag, was Den Bosch, de hoofdplaats van de Meierij, voor Rosmalen van meer belang. Daar zetelde immers de hoogschout, die de hertog in deze streken vertegenwoordigde. Overigens ging het hier niet louter om een bestuur, maar tegelijkertijd om een rechtbank. Dat gold ook voor de groep mensen die hier het plaatselijk bestuur regelde: een college van zeven schepenen, de schepenbank van "Heese". Tot 1630 regelde deze tal van zaken voor Rosmalen en Nuland gezamenlijk, daarna hebben beide dorpen elk hun eigen schepenbank gehad. Waarschijnlijk bestaat vanaf die tijd ook de grens tussen Rosmalen en Nuland, vandaag de dag bekend als de gemeentegrens'.
Ook de strijd tegen het water leverde Rosmalen al vroegtijdig een vorm van bestuur op: in augustus 1309 zorgde hertog Jan II ervoor dat de polder die in de volksmond "Eyghen" heette, een bestuur van zeven heemraden kreeg. Dit polderbestuur bediende zich in de 15e eeuw van een wapen dat een rechtstreekse voorvader kan worden genoemd van het wapen der huidige gemeente Rosmalen. Het wordt hierbij afgedrukt.
Over het reilen en zeilen van de inwoners van Rosmalen in de Middeleeuwen is weinig bekend. Wel valt er iets te zeggen van de grootte van het dorp. Dat hebben we te danken aan... de belastingpolitiek der Brabantse hertogen. Om aan geld te komen voor de vele oorlogen die zij voerden, verzonnen zij van alles. Zo werd in de 14e eeuw de aanwezigheid van één of meer stookplaatsen of haardsteden in een huis belast. Daarvoor moesten deze haardsteden dus eerst geteld worden, per plaats.
De resultaten van deze telling voor Rosmalen (en Nuland) luiden als volgt:
Jaren Rosmalen Nuland Rosmalen plus Nuland
1374 - - 246
1438 - - 276 (waaronder 82
huizen van armen)
1464 - - 261
1472 - - 272
1480 120 (145) 55 (67) 175 (213)
1496 85 47 132 (bewoonde huizen)
1526 191 (waaronder 2 - 290 (bewoonde huizen)
kloosters met 98
paters en zusters)
Twee conclusies: in de 14e en een groot deel van de 15e eeuw zal het inwonertal van Rosmalen en Nuland tezamen tussen 1100 en 1500 hebben bedragen, maar omstreeks het jaar 1500 zien we een forse daling. Die zal wel te maken hebben met de vele oorlogen tussen Brabant en Gelre die juist toen woedden. Het Maasland heeft in die jaren heel wat klappen voor zijn hertogen moeten opvangen De inwoners van Rosmalen konden niet bevroeden dat het allemaal nog veel erger zou worden. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) ondervond deze streek pas goed de nadelen van de nabijheid van de vestingstad 's-Hertogenbosch. Het moet hier een komen-en-gaan zijn geweest van allerhand vreemd krijgsvolk en het zal de boeren een zorg zijn geweest of het soldaten van Oranje dan wel van koning Filips II waren, als ze maar wegbleven. Veel mensen vluchtten naar Den Bosch, waar het, binnen de muren, een stuk veiliger was. Onder hen bevonden zich de bewoners van de beide Rosmalense kloosters. De kanunnikessen keerden, na het platbranden van de Annenborch in 1572, daar niet meer terug.
De vrede van Munster (1648) luidde voor grote delen van .Brabant en Limburg een moeilijke tijd in. Deze gebieden werden immers als veroverd gebied beschouwd en vanuit Den Haag door de Staten-Generaal bestuurd (vandaar de term "generaliteitslanden"). De jarenlang door oorlogen geteisterde Maaslanders gingen nu gebukt onder zware financiële lasten en maakten bovendien kennis met vertegenwoordigers van de nieuwe "gereformeerde religie", de predikanten en schoolmeesters. Zoals vrijwel overal in Noord-Brabant moesten ook de inwoners van Rosmalen in 1648 hun kerk afstaan aan een klein groepje protestanten. Dat was trouwens ook al in 1619 (na de inname van Den Bosch door Frederik Hendrik) gebeurd. Toen hadden veel Rosmalenaars er een tocht naar Megen of Lith voor over om de mis bij te wonen. Nu kregen zij het toch wat gemakkelijker: het werd hun toegestaan om te Coudewater, waar de Birgittijnen waren teruggekeerd, de kloosterkapel te bezoeken.
In 1713 kwam aan die toestand een einde: nadat in 1651 de paters al waren gedwongen om uit te wijken naar Hoboken in de Spaanse Nederlanden, hadden de nonnen zich nog tot 1711 kunnen handhaven. Twee jaar werd later het gebouwencomplex op last van de Staten-Generaal verkocht. De katholieke gemeenschap van Rosmalen bouwde nu een schuurkerk in de kom van het dorp. Speelde het kerkelijk leven van de Roomsen zich dus min of meer "ondergronds" af, eigenlijk was ook dat niet toegestaan. Maar de wereldlijke overheid kneep gaarne een oogje toe, als haar af en toe iets werd toegestopt. Dat "iets" heette in die tijd "recognitiegelden". Pastoor Judocus Tossanus Roosen (1108-1130) noteerde dat voor zijn toelating in Rosmalen f 400,- moest worden neergeteld, terwijl de parochie voor het gebruik van de schuurkerk jaarlijks f 50,- betaalde aan de schout van het kwartier Maasland en f 40,- aan de stadhouder van Den Bosch, de hoofdschout. De dorpelingen zullen het geld moeilijk hebben kunnen missen. Dat blijkt uit de volgende aantekening van een 19e-eeuwse Rosmalense pastoor. Aan de orde is de vernieuwing van de schuurkerk in 1781: "Zulks is geschied door (pastoor) Joannes van Helmond, en wel, zoals gezegd wordt, zonder geld, maar met het volgende middel: hij ging in Den Bosch bij de voornaamsten kapitaaltjes ophalen van 300 ieder: bij ziektens of andere voor hem gunstige gelegenheden ging hij de geldschieters bezoeken en kwam meestal met de kwitantie in den zak te huis".
De oude kerk stond, zoals gezegd, de kleine protestantse gemeente van Rosmalen ten dienste. Haar eerste predikant was Johannes Kieschiers, die hier tot 1675 werkzaam was. Zijn opvolgers hebben goed kunnen merken dat het kerkgebouw niet het eigendom was van de protestanten, maar van de plaatselijke wereldlijke overheid. Immers, in 1701 blijken schout en schepenen er een vergaderruimte te hebben, de "raetcamer". Deze ruimte is ingericht in een kleine aanbouw aan de noordzijde van het koor. Rosmalens "raadhuis" was dus al omstreeks 1700 niet meer ondergebracht in een herberg, zoals in veel andere Brabantse dorpen toen nog wel het geval was.
De inval van de Fransen in september 1794 luidde voor de generaliteitslanden een periode in van meer vrijheid, vooral op godsdienstig gebied, en op den duur, na 1848, zelfs van democratie. Natuurlijk kon de Rosmalense doodgraver dat niet weten, toen hij in september 1794 opschreef: "Een adjudant van de Fransche Armee is nakent op 't Kerkhoff begrave zoals hij ter werelt gekomen is. Niets daarvoor ontvangen." Voor de katholieken leidde die vrijheid op den duur (Napoleon zat toen al lang op Sint-Helena) tot de teruggave van de oude kerk in 1823. De hervormden namen toen de schuurkerk over, braken deze af en bouwden op haar fundamenten een nieuw bedehuis.
De 19e eeuw gaf ook op bestuurlijk gebied nogal wat veranderingen te zien. Eén daarvan was de instelling van de gemeente. Nadat in de jaren 1815 tot 1848 geëxperimenteerd was met reglementen waarbij een tijdlang sprake was van een bestuur bestaande uit een schout met een door Provinciale Staten benoemde raad, bracht de grote staatsman Thorbecke in 1851 de gemeentewet tot stand. Deze regelt, zij het na verschillende wijzigingen, tot op de dag van vandaag het bestuurlijk doen en laten van alle Nederlandse gemeenten.
Een betere organisatievorm vraagt ook een goede behuizing, maar een "raetcamer" in een aanbouw bij de kerk is dat niet bepaald. Het is dan ook niet vreemd te noemen, dat in 1817 een zekere P. van der Kraan voor de aanneemsom van f 2.300,- een echt gemeentehuis gebouwd heeft. Het gebouw heeft nog tot diep in de 20e eeuw dienst gedaan, waarna het aan de slopershamer ten prooi gevallen is. Een wapen had de gemeente Rosmalen nog eerder dan een gemeentehuis en wel krachtens een besluit van de Hoge Raad van Adel van 11 juli 1817. Blijkens de omschrijving is het vrijwel identiek aan dat van het Middeleeuwse polderbestuur "van den Eyghen": "van lazuur, beladen met een schildje en een molenrad en pal, alles van goud, het schildje beladen met een klaverblad van lazuur."
Op economisch gebied gaat het vrijwel de hele 19e en het begin van de 20e eeuw vrij slecht met Rosmalen. Natuurlijk hebben de talrijke overstromingen van de Maas daarmee veel te maken. Zo stelt het gemeenteverslag over 1851: "De landbouw is hier in eenen kwijnenden toestand. Het hooge water van den voorzomer zette al de landerijen in de polder van den Eigen, de Vliert, het Boschveld en de lage binnengedeeltens onder water. Hierdoor konden de bouwlanden, daarin gelegen, niet vóór half Mei worden bebouwd en gevolgelijk met niet anders dan met zomervruchten bezet en bezaaid worden. De beesten moesten laat in de weide, waardoor groote schade geleden werd.”
Handel en winkelnering deden het in Rosmalen evenmin goed. Het gemeentebestuur schreef dat in 1875 toe aan de omstandigheid dat "de meeste ingezetenen hunne benodigdheden te 's-Hertogenbosch halen en de gemeente als 't ware overstroomd wordt door venters in allerlei soort van waren." Jaarmarkten kende de gemeente overigens wel: te Rosmalen driemaal en te Hintham eenmaal per jaar.
Industrie kende ons dorp in de 19e eeuw niet; wel vonden enkele tientallen mensen werk in bijna evenveel bedrijfjes in de ambachtelijke sfeer, zoals een bierbrouwerij, een molen, een leerlooierij. De werkloosheid, en dus het aantal bedeelden, was groot.
Toch waren toen de tekenen van een nieuwe, betere tijd zichtbaar. In de jaren 1822-1835 kreeg het Maasland zijn eerste kasseienweg, de rijksweg van Den Bosch via Grave naar Nijmegen. Tegenover de Rosmalense "Gele Hoef', het huidige restaurant "Wapen van Rosmalen", takte van deze baan de eerste beklinkende provinciale weg af; in 1840 was hij al tot halverwege Berlicum en Heeswijk gereed. Ook op het gebied van "ijzeren wegen" zijn er ontwikkelingen te melden. Het gemeenteverslag over 1881 meldt: "De 2 Juni dezes 'aars is de spoorlijn Tilburg-Nijmegen, loopende door deze gemeente, voor 't publiek geopend. De diensten tot vervoer van reizigers en goederen zijn vrij goed." Twee jaar later deden ook de stoomtrams van de lijn Den Bosch - Helmond Rosmalen aan. Door al deze ontwikkelingen, die binnen een tijdsbestek van een halve eeuw plaatsvonden, ging de wereld voor de Rosmalenaar uit meer bestaan dan alleen het Maasland.
Tot ver in de 20e eeuw bleef deze gemeente haar plattelandskarakter behouden. Eigenlijk was ze louter een verzameling gehuchten, waarvan de namen gelukkig vandaag de dag nog voortleven, zij het dan in wijkaanduidingen. Ik noem ze even: Maliskamp, Kloosterhoek, Heide, Sprokkelbosch, Brugge, Kattenbosch, Kerkenhoek, Molenhoek, Varkenshoek, Hintham, Heijnis en de Bergen, Kruisstraat, Heeseind. Het inwonertal was gestegen van goed 1600 in de Franse Tijd via 3000 rond de laatste eeuwwisseling tot 5000 in 1930. Daarbij waren sedert 1870 inbegrepen enkele honderden psychiatrische patiënten in het voormalige klooster Coudewater.
Pas na de Tweede Wereldoorlog ging Rosmalen "in de lift". Eén van de mensen die dat proces van nabij meemaakten en mede richting eraan gaven, was Jan Heijmans (1903-1965), die in het voorjaar van 1923 zijn eerste karwei als zelfstandig stratemaker opknapte: het stationsemplacement van Den Bosch. Na de oorlog kon hij een bedrijf met tientallen werknemers inzetten voor heel wat grotere karweien op gebied van wegen-, water- en woningbouw. En men weet: er moest toen heel wat worden opgebouwd in Nederland. Rosmalen profiteerde daarvan, want er waren hier meer grote aannemingsbedrijven gevestigd. Naar ik aanneem niet toevallig, want juist hier waren veel seizoenarbeiders, mensen voor wie een groot deel van het jaar geen werk was. Er kwam dus nu wel brood op de plank, op den duur zelfs met beleg.
Het dorp veranderde van aanzien: veel mensen waren de eensteensmuurtjes en het rieten dak, hoe schilderachtig ook, beu, en bouwden nieuwe huizen. Bovendien had de ligging nabij Den Bosch opnieuw gevolgen: velen verkozen Rosmalen als woongemeente boven de Brabantse Hoofdstad, waar zij meestal wel bleven werken. Het inwonertal bereikte in 1960 de 10.000 en was in 1974 verdubbeld. Tot nog toe gaat de groei gewoon door.
Aan het eind van dit geschiedenisverhaal gekomen, zult u niet lezen: "en zij leefden nog lang en gelukkig." Dat zou al te optimistisch zijn in een tijd van stagnatie in de wereldeconomie en van voortdurende crises in de politiek. En juist in Rosmalen en omgeving, waar zovelen in de bouw werkzaam zijn, kan de klap hard aankomen. Toch, en dit strekke U tot troost, zal het hier nooit meer zo slecht worden als in de "goeie" oude tijd, toen men van Rosmalen zei:
Rosmalen is een ellendig land
's Winters in 't water en 's zomers in 't zand.
